|
De oorspronkelijke betekenis van het aan het
Grieks ontleende woord diagnostiek is: taxeren, onderscheiden,
beslissen. Diagnostiek vindt in het onderwijs voortdurend plaats. De
leerkracht schat dagelijks in of de instructie aanslaat, ziet welke
problemen zich voordoen, bedenkt waarom een opdracht niet lukt en
beslist hoe de uitleg het beste is aan te passen. Een diagnostisch
proces omvat meer dan het stellen van een diagnose. Het start met het
signalerend vermogen van de leerkracht, gevolgd door het verzamelen en
ordenen van informatie over de vorderingen van groep als geheel en van
individuele kinderen, het afnemen van toetsen en interpreteren van
resultaten, de classificatie en analyse van fouten, maar bijvoorbeeld
ook het bijhouden van de mate waarin instructie en hulp aanslaan. In 90%
van de gevallen lost een leerkracht zo de stagnaties en problemen op.
Het kan echter voorkomen dat ze zeer hardnekkig blijken en dat het niet
lukt er goed greep op te krijgen. Op zulke momenten is advies te vragen
aan een (intern of extern) begeleider en breidt het diagnostisch proces
zich uit. Geleidelijk is dan meer individueel maatwerk nodig en meer
specialistische kennis, gebruikmakend van verschillende theorieën. Ook
het aantal betrokkenen neemt toe: leerkracht, intern begeleider,
remedial teacher, schoolbegeleider en eventueel een (gespecialiseerde)
diagnosticus. Belangrijk is dat ze met elkaar samenwerken en elkaars
deskundigheid aanvullen.
Diagnostiek kan verschillende stappen omvatten,
zoals: signalering, onderkenning, verklaring, indicatie en advisering.
Deze vullen elkaar aan en kunnen, afhankelijk van de ernst van de
problemen, verder worden uitgebreid. Naarmate problemen ernstiger zijn,
wordt de diagnostiek meer maatwerk en individugericht.
Signalering en onderkenning brengen een
probleem in kaart en leiden tot een beschrijving van wat er aan de hand
is: de onderkennende diagnose (‘wat’). Bij voorkeur wordt daarbij
gebruikgemaakt van deugdelijk ontwikkelde instrumenten. De termen
‘rekenprobleem’ en ‘dyscalculie’ zijn beschrijvende termen en verklaren
nog niets. Bij de onderkenning wordt soms een indeling in verschillende
typen rekenproblemen/-stoornissen gehanteerd. Daarnaast kunnen zich nog
andere problemen en stoornissen voordoen (co-morbiditeit). Het
onderscheid daartussen wordt differentiaaldiagnostiek genoemd. Het gaat
dan niet alleen om cognitieve, maar ook om gedrags- en emotionele
problemen (bijvoorbeeld ADHD en faalangst). De onderkenning van
problemen is altijd gebonden aan de context van het aangeboden onderwijs
en de daarin gevolgde leerlijnen. Onderkenning staat ook niet los van de
groep leerlingen waarmee iemand zinvol kan worden vergeleken (gelet op
leeftijd, cognitieve en zintuiglijke mogelijkheden).
Soms kan het wenselijk zijn – bijvoorbeeld voor
het kiezen van de beste aanpak – om de verklaring van een probleem te
weten: de verklarende diagnose (‘waarom’).Voor de verklaring is
gebruik te maken van verschillende, elkaar aanvullende theorieën. Deze
besteden zowel aandacht aan factoren in het onderwijs (zoals: didactiek,
leerkracht) als aan individugebonden factoren (zoals: ontwikkeling van
het logisch denken, intelligentie en leerpotentieel, taalontwikkeling,
fonologische vaardigheden, geheugen en informatieverwerking,
neuropsychologisch functioneren). De literatuur wijst op een tot op
zekere hoogte aangeboren gevoel voor hoeveelheid, niet op het
genetisch bepaald zijn van de reken- en wiskundevaardigheid.
Omgevingsinvloeden en individuele kenmerken leiden in interactie met
elkaar tot de problemen.
Om een beeld te krijgen van hoe een
onderkennende diagnose tot stand komt, zullen de verschillende fases in
dit proces hieronder toegelicht worden.
Signalering, klachtanalyse en formulering van de hulpvraag
Signaleren kan op een minder of meer formele
manier. Ze vullen elkaar aan. Een informele wijze van signalering
gebeurt vooral aan de hand van voortdurende observatie en door na te
vragen hoe leerlingen taken aanpakken, zowel bij goede als minder goede
resultaten. Niet alleen het antwoord is informatief, maar ook de
gevolgde denk- en werkwijze. De leerkracht is in deze fase doorgaans op
zoek naar niet-begrepen instructie en naar kennishiaten van leerlingen
als aanknopingspunten voor adaptieve instructie. Een professionele
voorwaarde hiervoor is dat de leerkracht inzicht heeft in
instructieprincipes en in het rekenleerproces. Voorbeelden van vragen
die leerkrachten zich moeten kunnen stellen, zijn:
-
Om wat voor type kennis gaat het?
Leerlingen kunnen problemen hebben met het op een juiste wijze
uitvoeren van de verschillende stappen in rekenprocedures
(zoals in het toepassen van de splitsingen bij het overschrijden van
het tiental of het springen op de getallenlijn), maar ook met het
vlot beschikbaar hebben van rekenfeiten (zoals het onthouden
en uit het geheugen oproepen van eenvoudige uitkomsten en tafels, of
het kunnen gebruiken van termen als: plus, noemer).
-
Wat is de kwaliteit van de rekenkennis?
Het
maakt bijvoorbeeld verschil uit of een leerling een rekenprocedure
alleen uit kan voeren met behulp van een concreet model (zoals het
rekenrek), of dat hij ook in staat is om zich de procedure voor te
stellen en ‘denkend’ uit te voeren. Een ander voorbeeld is de mate
waarin kennis geautomatiseerd is: variërend van zeer traag en
gevoelig voor fouten tot snel en foutloos.
-
Welk type instructie is nodig?
Idealiter is de instructie afgestemd op de verschillende fasen
waarin kennis door leerlingen wordt verworven, zoals: variërend van
expliciete instructie tot gebruikmakend van de eigen inbreng van
leerlingen, van meer naar minder directe feedback gevend, van het
geïsoleerd aanbieden van informatie tot geïntegreerd met eerder
verworven kennis/vaardigheden en toegepast in nieuwe situaties.
Een formele werkwijze is het inzetten
van toetsen die de vergelijking met een norm of een vooraf opgesteld
criterium mogelijk maken. bijvoorbeeld de Utrechtse Getalbegrip Toets -Revised
voor de leeftijd van 4;4 – 7;5 jaar (UGT-R; Van Luit & Van de Rijt, 2009) en de
Toets Rekenen-Wiskunde 1, 2 en 3 voor de groepen 3 t/m 8 (Cito). Toetsen
hebben het voordeel dat ze efficiënt zijn en objectief vergelijkende
informatie geven. Het formeel volgen van leerlingen en vroegtijdig
signaleren van problemen is daarmee minder afhankelijk van de wisselende
expertise van leerkrachten, zonder de aanvulling met hun kennis over
oplossings- en leerprocessen overbodig te maken. Toetsen dienen zoveel
mogelijk te voldoen aan psychometrische voorwaarden.
Voorbeelden van hulpvragen die aan het einde
van de fase van signalering en klachtanalyse zijn te stellen:
Probleemanalyse
De uitkomst van een probleemanalyse is de
onderkenning en benoeming van een probleem in beschrijvende termen. Bij
een relatief eenvoudig en minder hardnekkig probleem gaat het dan vooral
om een in inhoud en omvang beperkte analyse van rekengedragingen binnen
de rekenles of remedial teaching. Een voorbeeld van een (beschrijvende)
uitkomst daarvan is: ‘Dit rekenprobleem heeft betrekking op het
procedurele aspect van het vermenigvuldigen’.
Naarmate de problemen uitgebreider en
hardnekkiger blijken, zijn er meer stappen nodig, wordt ook de inhoud
van de probleemanalyse meer omvattend en kan de uitkomst ervan tot een
uitspraak over het totale rekenprobleem van de leerling leiden in
relatie tot het algemeen functioneren. Een voorbeeld is: ‘Deze leerling
heeft dyscalculie’. In het navolgende zullen we ingaan op beide
uitvoeringen van de probleemanalyse: een ordening/classificatie van het
concrete rekengedrag en benoeming/classificatie van het totale
rekenprobleem.
Probleemanalyse als ordening, beschrijving en classificatie van concreet
rekengedrag
De probleemanalyse kan betrekking hebben op het
ordenen en beschrijven van concrete voorbeelden van rekenproblemen zoals
die zich in de dagelijkse rekenwiskundesituaties voordoen. Bij voldoende
(!) concrete voorbeelden krijgen we zicht op de enigszins stabiele
elementen in het rekenprobleem. Het kan dan bijvoorbeeld opvallen dat
verhaalsommen systematisch verkeerd worden opgelost, dat een uitkomst
regelmatig één te laag uitkomt, of dat bij het cijferend aftrekken (met
getallen < 100) onder elkaar telkens de kleinste eenheid (of tiental)
van de grootste eenheid (of tiental) wordt afgetrokken.
Om twee redenen is het zinvol om de stabiele
aspecten in kaart te brengen.
In de eerste plaats blijken fouten niet
consequent op dezelfde manier voor te komen. Leerlingen die met een
onderdeel moeite hebben, kiezen nu eens de ene en dan weer de andere
strategie, af en toe ook de juiste. Het oplossingsgedrag kan dus
wisselen. Dat het soms wel en soms niet goed gaat, bewijst niet zozeer
dat er al een redelijke beheersing is met fouten door onaandachtig of
slordig werken, maar juist dat niet duidelijk is hoe het moet
worden aangepakt. Bij te weinig concrete voorbeelden van probleemgedrag
wordt een patroon in de problemen mogelijk niet onderkend of wordt aan
een afzonderlijk voorbeeld ten onrechte te veel waarde gehecht. Het
materiaal dat in deze fase bruikbaar is, is divers: resultaten op
controle- of vorderingentoetsen, schriftelijk werk in de klas, huiswerk,
mondelinge antwoorden.
De tweede reden om te zoeken naar (relatief)
stabiele patronen heeft te maken met de eventueel te geven hulp. Min of
meer stabiele problemen laten immers een systematischer hulp toe dan
onvoorspelbare reacties.
Het ordenen en beschrijven van concreet
probleemgedrag kan in de vorm van een foutenclassificatie. Idealiter
zouden we hiervoor willen beschikken over (empirisch gevalideerde)
foutenclassificatiesystemen, waarin fouten/problemen kunnen worden
geordend in een beperkt aantal beschrijvende categorieën.
Beschrijvend wil zeggen: zonder verwijzing naar een veronderstelde
verklaring voor de problemen. Verklaringen kunnen immers verschillen,
niet alleen omdat uiteenlopende processen tot hetzelfde gedrag kunnen
leiden, maar ook omdat de (theoretische) invalshoek van waaruit naar
gedrag gekeken wordt van invloed is.
Een voorbeeld van een beschrijvende categorie
zou zijn: fouten in het lezen en schrijven van meercijferige getallen
(leest bijvoorbeeld ‘32’ in plaats van ‘23’ en schrijft ‘213’ in plaats
van ‘231’).
Een beschrijvende categorie geeft dus niet aan
waarom een fout zich voordoet. In het gegeven voorbeeld zouden
verklaringen kunnen zijn:
-
de leerling heeft wel begrip van het formele
positiestelsel, maar vergeet telkens de procedurele spelregels voor
de volgorde in uitspraak en notatie;
-
de leerling heeft geen begrip van het formele
positiestelsel, ook al gebruikt hij in het spontane spraakgebruik
wel grote getallen.
Om te kunnen weten welke van deze
interpretaties – of wellicht nog andere – de juiste is, hebben we meer
gegevens nodig. Van belang is om daarbij ook in kaart te brengen wat er
goed gaat en al beheerst wordt. Dat geeft niet alleen zicht op wat zeer
waarschijnlijk als verklaring is uit te sluiten, maar biedt tevens
aanknopingspunten voor het geven van hulp.
Stel dat er veel fouten worden gemaakt in de
procedure van het cijferend ‘onder elkaar’ vermenigvuldigen, maar dat de
tafels van vermenigvuldiging tot 10 – declaratieve kennis – goed en vlot
gekend worden. Die hoeven in de te geven hulp dan niet meer apart aan
bod te komen. Wel moeten we nagaan welke procedures precies gevolgd
worden, aan de hand van vragen als: welke volgorde in stappen wordt
gebruikt; wat is de manier van noteren van tussenuitkomsten; op welke
momenten wordt gebruikgemaakt van inwisselen, onthouden en bij elkaar
optellen; is er een vaste aanpak of wisselt het per type opgave?
In de literatuur wordt weinig aandacht besteed
aan zuiver beschrijvende classificatiesystemen, maar worden
beschrijving en verklaring (of: interpretatie) als vanzelfsprekend aan
elkaar gekoppeld of worden bepaalde opgaven gezien als representatief
voor een onderliggend – en daarmee impliciet: verklarend – proces. De
vraag die dit oproept is of zo’n zuiver en theorieloos beschrijvend
systeem wel te maken is. Strikt genomen zou het dan gaan om een
opsomming van categorieën van typen antwoorden (responsen) en/of van een
taakanalytische indeling in typen opgaven (stimuli). Naar onze mening is
dit weinig zinvol, vooral vanwege het onafzienbare aantal mogelijkheden
in het rekenwiskundedomein. Vruchtbaarder lijkt het om uit te gaan van
een beperkt aantal ‘op maat gekozen’ representatieve opgaven en op te
lossen problemen, om vervolgens in het geval van opvallende hiaten of
systematische fouten (classificatie) na te gaan welke redenen daaraan
ten grondslag zouden kunnen liggen (analyse). Deze veronderstellingen
zijn dan nader te toetsen, beginnend op taakniveau, bij voorkeur in
direct contact en werkend met de leerling. Welke opgaven in deze vorm
van probleemanalyse als representatief zijn te beschouwen, is een
praktische vraag die zeer verschillend is in te vullen. Bijvoorbeeld: in
een realistische didactiek bij oudste kleuters gaat het om andere
situaties dan bij het leren toepassen van het
oorzaak-veranderingsprincipe in verhaalsommen in groep 6 of bij het
aanleren van formele kansberekening in het voortgezet onderwijs. Maar in
elk van deze drie denkbare gevallen wordt een beroep gedaan op
declaratieve en/of procedurele kennis die specifiek is voor de gekozen
taken. Tijdens de toetsing is dit aan te vullen met observatie van
metacognitieve kennis en vaardigheden. De diagnostische analyse die
volgt op de classificatie betekent overigens een overgang van
probleemanalyse naar een taakspecifieke verklaring die aanknopingspunten
kan bieden voor latere hulp.
In de toetsing van taakspecifieke verklaringen
is – aansluitend bij de principes van de diagnostiek van de
leergeschiktheid – gebruik te maken van het geven van hulp en uitleg.
Het geven van hulp en uitleg binnen een diagnostisch onderzoek is een
van de principes in het leergeschiktheidsonderzoek. In de Kwantiwijzer
voor Leerkrachten (of: ‘de Kwantiwijzer’; Van den Berg et al., 1992) –
een diagnostisch instrumentarium voor het aanwijzen van zwakke en
sterke kanten van leerlingen in het kunnen handelen met kwantiteiten
– is dit uitgewerkt voor het domein optellen en aftrekken tot 100, als
toepassing van de handelingsleerpsychologie. Het instrument geeft ook
aanwijzingen over waar het onderwijs moet aansluiten. Het individuele
onderzoek is procesgericht en kwalitatief, gericht op het volledige
handelingsrepertoire. De Kwantiwijzer combineert verschillende
technieken:
-
observatie van al het waarneembare gedrag, inclusief bijvoorbeeld
het gebruiken van soms nauwelijks zichtbare, niet efficiënte en niet
inzichtelijke procedures (tellen met je tenen, tellen op je tanden);
-
vragen naar hoe iets is aangepakt en het (niet suggestief)
doorvragen;
-
bespreken hoe het kind, afgaande op de observaties, volgens de
onderzoeker te werk is gegaan (bespiegelen);
-
variëren van opgaven die een vergelijkbare, lagere of hogere
moeilijkheidsgraad bezitten;
-
geven van hulp en aanbieden van materiaal;
-
oriëntering op essentiële kenmerken en relaties in de opgave;
-
voorstructurering van de oplossingsmethode;
-
het gezamenlijk met het kind oplossen van een analoge opgave; –
rechtstreeks verwijzen naar de methode;
-
waarschuwen voor fouten en via vragen op weg helpen.
De Kwantiwijzer zoekt niet naar algemene
oorzaken van rekenproblemen, maar naar didactische aanknopingspunten
voor de leerkracht. Voor de procesanalyse van rekenproblemen is de
diagnostische toets uit de Kwantiwijzer een zeer bruikbaar instrument.
Waardevol zijn de goed uitgewerkte stappen die inhoudelijk uitdrukkelijk
verder gaan dan signalering. Andere in de praktijk gehanteerde middelen
zijn in dit opzicht beperkter, zoals het Diagnostisch Rekenonderzoek en
in Vlaanderen de Kortrijkse Rekentest of de EPA2000.
De bovenstaande principes zijn ook voor andere
leerstofdomeinen op te zetten in de vorm van een ‘diagnostisch gesprek’.
Een viertal technieken lenen zich daar in het bijzonder voor, eventueel
aansluitend bij fouten in een signalerende toets:
1. Observeren:
De leerling wordt geobserveerd bij het
uitvoeren van rekentaken. Er wordt goed gekeken naar de manier waarop de
leerling de taak aanpakt (oriënteert hij zich vooraf of begint hij
direct), maakt hij gebruik van materiaal of vingers om tot een antwoord
te komen, is er wellicht sprake van ‘verborgen’ handelingen
(bijvoorbeeld ‘stiekem’ de vingers onder de tafel bewegen of de ribbels
van de radiator tellen).
2. Vragen stellen:
Er zijn verschillende manieren om het kind
vragen te stellen. De meest voorkomende is de kinderen hardop te laten
denken tijdens de probleemoplossing. Een andere mogelijkheid is de
leerling na het gegeven antwoord te vragen hoe hij tot dat antwoord is
gekomen. Meestal levert dat onvoldoende duidelijkheid, zodat de
leerkracht moet doorvragen (‘Hoe deed je dat?, ‘Welke getallen heb je
gebruikt?’, ‘Was er nog meer waar je aan moest denken?’).
3. Variëren van opgaven:
Wanneer de leerling op de afgenomen toets
bepaalde taken niet heeft kunnen oplossen, kan in het diagnostisch
proces een aantal alternatieve opgaven aangeboden worden die net iets
eenvoudiger zijn dan de toetsopgave. Er wordt dan gekeken hoe de
leerling deze alternatieve opgaven oplost. Lukt dat niet, dan worden nog
eenvoudiger opgaven aangeboden. Lukt het wel, dan wordt de toetsopgave
opnieuw aangeboden en wordt nagegaan of de leerling de link kan leggen
tussen de oplossing van de alternatieve opgaven en de toetsopgave.
4. Het bieden van hulp geleidelijk uitbreiden:
Hierbij kunnen vijf hulpniveaus onderscheiden
worden. Om deze niveaus te kunnen beschrijven, wordt hierna uitgegaan
van een voorbeeld.
Alex,
een 13-jarige leerling in de eerste klas van het middelbare onderwijs,
blijkt niet in staat om de volgende opgave goed op te lossen ‘Sjaak moet
de lege flessen in de supermarkt sorteren. Hij moet 154 flessen in
kratten doen. In ieder krat kunnen 12 flessen. Hoeveel kratten heeft hij
nodig?’ Op de volgende niveaus kan dan, afhankelijk van wat Alex ermee
doet, de hulp nader worden ingevuld:
(a)
Structuur aanbrengen:
In deze opgave wordt structuur
aangebracht door de opgave in losse informatieve zinnen op te knippen.
. Sjaak moet flessen in kratten doen.
. Hij heeft 154 flessen.
. In ieder krat kunnen 12 flessen.
. Hoeveel kratten heeft Sjaak nodig om alle flessen op te bergen?
Gaat
dit niet goed, dan wordt het tweede niveau van hulp aangereikt;
(b)
Structuur aanbrengen en complexiteit verminderen:
De opgave
blijft opgeknipt in losse informatieve zinnen en bovendien wordt de
moeilijkheidsgraad van de opgave rekenkundig vereenvoudigd door niet
door 12 te laten delen maar door 10.
. Sjaak heeft 154 flessen.
. Hij ruimt ze op in kratten.
. In ieder krat kunnen 10 flessen.
. Hoeveel kratten heeft Sjaak nodig?
Als
dit bij Alex niet werkt, wordt het derde hulpniveau aangereikt;
(c)
Verbale hulp geven: Door vragen te stellen over de taak
kan nagegaan worden of Alex wel snapt waar de taak over gaat:
. Hoeveel flessen heeft Sjaak?
. Wat moet hij met die flessen doen?
. Wat betekent een ‘krat’?
. Hoeveel flessen kunnen in één krat?
. Hoeveel kratten zijn ongeveer nodig denk je?
. Hoe kun je dat het beste uitrekenen?
Mocht
het gebruik van verbale hulp ook niets opleveren, dan kan worden
overgegaan naar het vierde niveau van hulp;
(d)
Materiële hulp geven:
Bij jonge kinderen is dit het
daadwerkelijk aanbieden van een materiële oplossing, en bij oudere
kinderen en bij het gebruik van grotere getallen en complexere taken het
aanbieden van een schematische oplossing die past bij het
oplossingsrepertoire van de leerling:
154
-100
(10 kratten)
54
-
50 (5 kratten)
4
(4 flessen over, daar is ook een krat voor nodig)
In
totaal 10+5+1 -> 16 kratten nodig
Wanneer het geven van materiële hulp eveneens niet werkt, wordt het
vijfde hulpniveau aangereikt;
(e) Modelleren: Het komt erop neer dat de leerkracht
een strategie voordoet terwijl de leerling goed oplet. Daarna doen ze
het samen waarbij de leerling steeds zelfstandiger te werk gaat. Wanneer
de leerkracht het idee heeft dat de leerling de werkwijze doorheeft,
laat hij de leerling dit soort taken zelfstandig oplossen.
De vijf niveaus van hulp zeggen iets over de
instructiebehoefte van kinderen. Het mag duidelijk zijn dat hoe meer
hulp een leerling in de rekendiagnostische fase nodig heeft, des te meer
- individuele - ondersteuning hij nodig heeft in het rekenonderwijs. Die
ondersteuning betreft dan veelal zowel specifieke instructie als een
specifiek programma.
Probleemanalyse als onderkenning, classificatie en benoeming van een
rekenstoornis
In het voorgaande had de probleemanalyse als
functie het ordenen en beschrijven van geclusterde concrete
probleemgedragingen: de foutenclassificatie, zoals uitgevoerd door de
leerkracht, intern begeleider of remedial teacher. Maar in de
diagnostische cyclus kan de probleemanalyse ook slaan op een
classificatie en benoeming van de totale rekenproblematiek – uitgaande
van een minimale ernst – binnen het scala aan ontwikkelingsproblemen,
inclusief de leerstoornissen. In dat geval spreken we van
een onderkenning van een stoornis en van onderkennende diagnose. In het
geval van dyscalculie is de uitvallende psychologische functie het niet
geautomatiseerd raken van declaratieve kennis. Dyscalculie is dus
de stoornis. Een stoornis kan meer of minder ernstig, meer of minder
hardnekkig zijn. Telkens zal er echter sprake zijn van een minimale
ernst of hardnekkigheid. Naar analogie van het advies dat met betrekking
tot de onderkenning van dyslexie werd geformuleerd door de
Gezondheidsraad, beschouwen we de hardnekkigheid (resistentie) van de
stoornis dyscalculie als een belangrijke indicatie voor de ernst. De
resistentie voor beïnvloeding, zoals voor remedial teaching, is een
belangrijk criterium om in hardnekkige gevallen van een leerstoornis te
spreken. Op de taxatie van ernst komen we later nog terug. De
onderkenning van ontwikkelingsstoornissen geschiedt aan de hand van
beschrijvende criteria waaraan de problemen dienen te voldoen. Het meest
gebruikte systeem in dit verband is dat van de Diagnostic Statistical
Manual of mental disorders (DSM), dat bij het stuk over de
definiëring van dyscalculie eveneens aan bod komt. Een van de genoemde
leerstoornissen is de Mathematics Disorder (of: dyscalculie), naast
bijvoorbeeld de Reading Disorder (of: dyslexie). De meest recente versie
is de DSM-IV-TR™ (APA, 2000). Aan de hand van de daarin opgenomen (vrij
beperkte en globale) criteria is een rekenstoornis redelijk objectief en
eenvoudig in kaart te brengen. Een van de criteria is dat de
waarneembare problemen ernstiger zijn dan op grond van de
intellectuele mogelijkheden is te verwachten. Alhoewel de afname van
een IQ-test dan voor de hand lijkt te liggen – en er kunnen gegronde
redenen zijn om dat inderdaad te doen – , is het niet per definitie
nodig. Immers, ook op basis van de prestaties in andere cognitieve
domeinen of door observatie van de kwaliteit van de denkontwikkeling is
een valide uitspraak mogelijk over de intellectuele capaciteiten in
vergelijking met het gerealiseerde rekenniveau. Merk overigens op dat
als criterium voor onderkenning niet gesproken wordt van een
normale of gemiddelde intelligentie. Leerlingen met een rekenstoornis
kunnen ook een beneden- of bovengemiddelde intelligentie hebben. De
DSM-indeling in stoornissen is gebaseerd op de consensus tussen grote
groepen (internationale) klinische experts die hun praktijkervaringen
hebben gebundeld. Zij zijn het er over eens dat de beschreven
stoornissen als zodanig voorkomen. Bij het toewijzen van een stoornis
moet doorgaans worden voldaan aan zowel positieve als negatieve
criteria. Een positief criterium geeft bijvoorbeeld aan hoeveel en/of
welke gedragingen moeten voorkomen, een negatief criterium bepaalt
bijvoorbeeld dat deze gedragingen geen onderdeel mogen zijn van een
andere stoornis die meer omvattend is. Zo heeft het geen zin om in het
geval van een ernstige mentale retardatie ook een rekenstoornis te
onderkennen. In het geval van een rekenstoornis is er dus een
tekort aan automatisering van kennis, objectief vaststelbaar in een (te)
laag prestatieniveau, zonder dat goede systematische (remediërende) hulp
daarop het gewenste effect heeft. Het prestatieniveau in automatisering
(snelheid en accuratesse) wordt afgezet tegen dat van een relevante
vergelijkingsgroep, in een vergelijkbaar onderwijsniveau en met
vergelijkbare intellectuele en zintuiglijke mogelijkheden. Dit betekent
dat een rekenstoornis zich kan voordoen op verschillende niveaus van
onderwijs, op verschillende niveaus van intellectuele mogelijkheden en
dat het kan samengaan met een zintuiglijke stoornis. Er is geen
benedengrens voor de duur dat systematisch onderwijs moet zijn gevolgd,
maar het ligt voor de hand dat dit zó lang is dat systematische en
planmatige hulp kans van slagen heeft gehad. Een vuistregel is om uit te
gaan van een periode van zes maanden. Er kunnen redenen zijn om een
kortere of langere periode aan te houden.
Taxatie van de ernst
Om probleemgedrag als stoornis te
classificeren, is een minimale ernst nodig. Er zijn echter allerlei
gradaties van ernst, zowel van gedragingen afzonderlijk als van de
stoornis in haar geheel. Een van de indicaties van ernst hebben we
gezien als de mate van resistentie voor remediërende hulp, blijkend uit
een objectief vaststelbaar te laag prestatieniveau. Genormeerde tests en
vragenlijsten zijn een belangrijk middel, zeker ook bij herhaalde
afname. Een bekend voorbeeld is het Cito- leerlingvolgsysteem. Een
andere genoemde bron van informatie omtrent ernst is de verhouding
tussen wat goed gaat en wat niet lukt. Er zijn echter meer criteria te
formuleren, zoals: de langdurigheid van de problemen, het aantal
situaties waarin zich voor de betrokkene negatieve ervaringen voordoen,
de mate waarin het tot beperkingen leidt (in opleiding, beroep, sociaal
functioneren) en de hoeveelheid ervaren stress.
Verklaringsanalyse
Het onderkennen van problemen kán direct leiden
tot een geschikte aanpak ervan. Zo zullen in de dagelijkse
klassenpraktijk en remedial teaching toetsresultaten en observatie
dikwijls rechtstreeks aanknopingspunten bieden voor het aanpassen van de
instructie. Hetzelfde geldt voor een foutenclassificatie. Stel dat een
leerling bij de bewerkingen met breuken het gelijknamig maken
systematisch niet toepast, dan heeft dat gevolgen voor de inhoud van de
hulp. In veel gevallen is de relatie tussen probleem en benodigde steun
echter niet zo eenduidig. Een mogelijkheid om dit te overbruggen is de
koppeling van de foutenclassificatie aan een foutenanalyse
en aan het uitproberend (diagnostisch) bieden van hulp. Daarmee ontstaat
een overgang van probleemanalyse naar taakspecifieke verklaring. Toch is
soms meer nodig en breidt de diagnostiek zich uit tot condities die niet
alleen verklaren hoe problemen ontstaan, in stand worden gehouden of
versterkt, maar die ook van invloed zijn op de keuze of invulling van de
verdere hulpverlening, bijvoorbeeld in het rekening houden met
co-morbiditeit. Het begrip ‘verklaring’ heeft in de psychodiagnostiek –
zoals meer in het algemeen geldt binnen de sociale wetenschappen – zowel
de (ruime) betekenis van veroorzakende of oproepende conditie, als van
instandhoudende, versterkende of met een probleem samenhangende
conditie. De kennis omtrent verklarende condities wordt ontleend aan
wetenschappelijke theorievorming en onderzoek. In plaats van verklarende
condities wordt daarin ook wel gesproken van risicofactoren. Sommige
hiervan zijn (nog) beïnvloedbaar en relevant voor het bieden van hulp,
andere minder of niet (zoals: erfelijkheid). De waarde van een
verklarende conditie wordt dus enerzijds bepaald door de theoretische
geldigheid en empirische onderbouwing, anderzijds door de praktische
relevantie voor het onderkende probleem. De empirische onderbouwing
heeft over het algemeen betrekking op een vastgestelde relatie tussen
problemen en condities, uit te drukken als: ‘Maximaal 25% van de
variantie in rekenprestaties wordt verklaard door het algemene
intelligentieniveau’. Of: ‘Het moeilijk komen tot automatische
beheersing van de tafels van vermenigvuldiging komt voor bij 60% van de
kinderen met dyslexie’. In hoeverre overigens een algemene empirische
samenhang toepasbaar is in het individuele geval blijft onzeker. Om die
reden is de analyse van het probleem op taakniveau essentieel. Of,
bijvoorbeeld, de algemene intelligentie in het individuele geval een
waarschijnlijke verklaring vormt en óf hiermee in de behandeling
rekening moet worden gehouden, zal afhangen van de manier waarop het
rekenprobleem zich daadwerkelijk voordoet. Rekenwiskundeproblemen kúnnen,
maar hoeven zich niet te manifesteren in een tekort aan inzicht.
Voor het in de literatuur opsporen van
diagnostisch bruikbare condities zijn twee zoekrichtingen aan te geven:
van probleem naar conditie en vanuit condities naar problemen. Het
zoeken vanuit probleem naar conditie sluit rechtstreeks aan op de
voorgaande stap uit de diagnostische cyclus: de probleemanalyse die
leidt tot een onderkend en benoemd probleem. Idealiter zouden handboeken
kunnen aangeven welke typen problemen zijn te koppelen aan toetsbare
(alternatieve) verklaringen. Op het gebied van reken- en
wiskundeproblemen ontbreekt het tot nu toe echter aan dergelijke
overzichten. Vaker is de literatuur niet ingedeeld naar typen problemen,
maar naar typen verklarende theorie, zoals overigens ook in het eerste
deel van dit boek het geval is.
Het zoeken vanuit condities naar problemen
heeft als nadeel dat telkens slechts één type verklarende conditie
centraal staat en dat er veel verschillende (sub)theorieën en varianten
zijn die het zoeken bemoeilijken. Ten behoeve van de verklaring van
probleemgedragingen is een onderscheid te maken tussen
omgevingscondities en individugebonden condities. Omgevingscondities
kunnen problemen oproepen en in stand houden. In de voorgaande stappen
zijn we uitgegaan van een omgeving, of onderwijscontext, die alert is,
tijdig signaleert en adaptief reageert op individuele behoeften. Wanneer
dat niet het geval is, kunnen natuurlijk stagnaties ontstaan, maar in
het geval van hardnekkige rekenproblemen of dyscalculie is er minstens
ook sprake van individugebonden condities.
Literatuur:
-
American
Psychiatric Association (APA) (2000). Diagnostic and Statistical
Manual of mental disorders. DSM-IV-TR™
(4th ed.; Text Revision). Washington, DC: Author.
-
Van den
Berg, W., Van Eerde, D., & Lit, S. (1992). Kwantiwijzer voor
leerkrachten. Handleiding. Tilburg: Zwijsen.
-
Van Luit, J.E.H., & Van de Rijt, B.A.M. (2009). Utrechtse
Getalbegrip Toets-Revised. Doetinchem: Graviant.
|