|
Definitie
In onderzoek
naar problemen met rekenen wordt onderscheid gemaakt tussen de begrippen
rekenproblemen en rekenstoornissen. Om te kunnen spreken
van een rekenstoornis moet worden voldaan aan een aantal
criteria. Een rekenprobleem is een ruimer begrip, waarvoor slechts geldt
dat er sprake moet zijn van een ervaren probleem in het (leren) rekenen.
Deze website gaat over rekenstoornissen.
De
criteria op basis waarvan wordt vastgesteld of er sprake is van een
rekenstoornis, zijn wereldwijd opgesteld in
classificatiesystemen, zoals de Diagnostic and statistical
manual of mental disorders (DSM-IV TR™) (APA, 2000).
Hierin wordt gesproken van het begrip rekenstoornis. In de
hulpverleningspraktijk en wetenschappelijk onderzoek worden de termen
rekenstoornis en dyscalculie gebruikt, waarbij met beide wordt gedoeld
op de rekenstoornis zoals die wordt omschreven in de DSM-IV TR™.
Echter, er kan pas van dyscalculie worden gesproken wanneer dit is als
zodanig gediagnosticeerd. Het kind heeft een rekenstoornis en we noemen
dit dyscalculie. Op deze website worden beide termen op deze manier
gehanteerd.
Volgens de DSM-IV-TR™ is er sprake van een rekenstoornis,
als aan de volgende criteria wordt voldaan:
-
De rekenkundige begaafdheid ligt, gemeten met een individueel
afgenomen gestandaardiseerde test, aanzienlijk onder het te
verwachten niveau dat hoort bij de leeftijd, de gemeten
intelligentie en de bij de leeftijd passende opleiding van
betrokkene.
-
De stoornis van criterium A interfereert in significante mate met de
schoolresultaten of de dagelijkse bezigheden waarvoor rekenen
vereist is.
-
Indien een zintuiglijk defect aanwezig is, zijn de rekenproblemen
ernstiger dan die welke hier gewoonlijk bij horen.
Ernstige rekenproblemen worden in sommige gevallen een rekenstoornis
of dyscalculie genoemd, op dezelfde manier als waarop we een ernstig
leesprobleem in bepaalde gevallen als dyslexie aanduiden. Het is van
meet af aan belangrijk op te merken dat de term ‘dyscalculie’ een
beschrijvende term is, die niet verwijst naar een oorzaak of
verklaring. Het ernstige rekenprobleem is dus niet het gevolg
van dyscalculie, maar het is de dyscalculie.
Dyscalculie definiëren
we - naar analogie van dyslexie-
als volgt:
Dyscalculie is een stoornis die gekenmerkt wordt door hardnekkige
problemen met het leren en vlot/accuraat oproepen/toepassen van
reken-/wiskundekennis (feiten/afspraken).
Dyscalculie, een stoornis?
Het
uitgangspunt dat dyscalculie – net als dyslexie – een stoornis is, is
gebaseerd op een aantal argumenten.
In
de eerste plaats gaat er in het ‘psychologisch’ functioneren van mensen
met dyscalculie iets mis, opvallend ten opzichte van de rest van het
functioneren. De directe beschikbaarheid van feiten en afspraken – het
leren onthouden – komt bij hen niet of onvoldoende tot stand in
vergelijking tot wat zou mogen worden verwacht op basis van
intelligentie en het aangeboden onderwijs. Er is sprake van een verlies
van of afwijking in een psychologische functie. De stoornis
dyscalculie leidt tot allerlei beperkingen en extra last in het
dagelijks leven. Denk bijvoorbeeld aan het niet vlot met geld kunnen
omgaan bij het afrekenen van boodschappen, het niet goed kunnen
gebruiken van de NS-borden met spoortijden en problemen met klokkijken.
Mensen met dyscalculie lopen tegen veel dagelijkse problemen aan waarvan
anderen zich niet bewust zijn.
Een
tweede argument om bij dyscalculie – op dezelfde wijze als bij de
ontwikkelingsstoornis dyslexie – te spreken van een stoornis, is dat er
een redelijke samenhang tussen beide bestaat en dat ze elkaar als
psychologische vaardigheid voor een deel lijken te overlappen (zie
later).
Een
derde argument is gebaseerd op de toenemende kennis uit
neuropsychologisch onderzoek over de betrokkenheid van (en mogelijke
uitval in) specifieke hersengebieden. Overigens is voorzichtigheid hier op z’n plaats. Het
wetenschappelijk neuropsychologisch en neurologisch onderzoek is nog
volop in ontwikkeling en boekt met behulp van nieuwe beeldvormende
technieken opzienbarende
resultaten. We zien daarmee dat er iets gebeurt, maar niet wat.
Volgens sommigen is het gevaar niet denkbeeldig, dat bij dit type
onderzoek alleen wordt bevestigd wat vooraf al werd verwacht en daarom
(letterlijk) zichtbaar werd gemaakt.
Naast deze argumenten zijn nog twee opmerkingen het vermelden waard. In
de eerste plaats zijn er aanwijzingen dat dyscalculie, net als dyslexie,
een erfelijke basis heeft. De aanleg betreft dan een aangeboren vermogen
om (vlot) om te kunnen gaan met hoeveelheden, iets waartoe baby’s over
het algemeen al kort na de geboorte in staat blijken te
zijn.
In
de tweede plaats lijkt het redelijk te veronderstellen dat de mate van
voorkomen van dyscalculie – in termen van het aantal leerlingen met
opvallende problemen in het vlot en goed beschikken over feiten en
afspraken – vergelijkbaar is met de mate van voorkomen van dyslexie
(zo’n 2 à 3 procent). Er zijn geen gegevens die er op wijzen dat deze
aantallen de laatste decennia toe zouden nemen.
Co-morbiditeit
Het
verschijnsel dat twee of meer lichamelijke of psychische stoornissen
zich tegelijkertijd bij één individu voordoen, wordt in de geneeskunde
comorbiditeit genoemd (in het Latijn is ‘co-’ een aanduiding voor
‘samen’ en ‘morbidus’ betekent ‘ziek’). Het samengaan van verschillende
stoornissen is geen zeldzaamheid. Zo gaat bijvoorbeeld depressie vaak
samen met een angststoornis en heeft ongeveer 25% van de kinderen met
dyslexie óók ADHD. Co-morbiditeit kan toeval zijn, maar er kan ook
sprake zijn van een gemeenschappelijke achterliggende ‘oorzaak’. In de
differentiaaldiagnostiek is dit onderscheid een van de punten die
aandacht behoeven. Omdat dyscalculie soms in verband wordt gebracht met
verstandelijke beperkingen (mentale retardatie), dyslexie, ADHD (Attention
Deficit with Hyperactivity Disorder) en NLD (Non-verbal Learning
Disability) gaan we op elk van deze mogelijke relaties kort in.
Verstandelijke beperkingen (mentale retardatie)
De
klassieke aanduiding voor een intelligentie lager dan 70 is ‘mentale
retardatie’. Dit uit zich in lichte tot diepe verstandelijke
beperkingen. Ongeveer 2,5% van het totaal aantal kinderen in de
bevolking heeft een IQ < 70. Vrijwel altijd – vanzelfsprekend frequenter
naarmate de verstandelijke beperkingen ernstiger zijn – zullen er door
gebrek aan inzicht en beperkt logisch kunnen denken ook rekenproblemen
optreden, maar soms kan het cijferend en mechanisch rekenen (‘sommen
maken’) toch betrekkelijk vlot gaan. Dat een mentale retardatie tot
rekenproblemen leidt, betekent omgekeerd natuurlijk niet dat een kind
met rekenproblemen dus een lage intelligentie zal hebben. Er zijn
immers ook veel normaalbegaafde leerlingen met rekenproblemen.
Als internationaal geaccepteerde afspraak geldt
dat bij een intelligentie lager dan 70 sowieso niet van een
rekenstoornis (dyscalculie) wordt gesproken. Anders gezegd: in het geval
van een IQ < 70 zullen de rekenvaardigheden (ernstig) beperkt zijn, maar
vatten we dit op als behorend bij de retardatie en niet als
co-morbiditeit. Bij een intelligentie die globaal genomen tussen 70 en
85 ligt (tussen 1 en 2 standaarddeviaties beneden het gemiddelde) is de
situatie een andere. Kinderen met dit intelligentieniveau worden
aangeduid als moeilijk lerend, laagbegaafd of ook wel zwakbegaafd. Het
niveau van inzichtelijk rekenen zal bij hen doorgaans benedengemiddeld
zijn, gepaard gaand met een beperkt niveau van automatisering. Bij een
klein deel van hen kan echter de automatisering opvallend achterblijven
ten opzichte van hun rekenbegrip. Er is bij hen dan sprake van twee
problemen en derhalve wel van co-morbiditeit: laagbegaafdheid én
dyscalculie.
Dyslexie
Uit
verschillende onderzoeken komt naar voren dat lees- en rekenprestaties
redelijk tot sterk met elkaar samenhangen, in het bijzonder wanneer het
gaat om automatisering in de betekenis van: snel en goed uit het
geheugen kunnen oproepen van de juiste feiten: woordfeiten en
rekenfeiten. Wanneer in de onderzoeksgroep
leerlingen uit reguliere én speciale basisscholen worden opgenomen,
blijkt bijvoorbeeld een zeer sterke samenhang te
bestaan tussen de prestaties in het vlot lezen
van woorden op de 'Brus-één-minuut-test'
en het snel kunnen oplossen van eenvoudige sommen in
de 'Tempo Test Rekenen'.
De samenhang is het sterkst in de aanvangsgroepen en neemt geleidelijk
enigszins af. Gezien de verhoogde kans op het samengaan van dyslexie en
dyscalculie is er sprake van co-morbiditeit.
ADHD
Leerstoornissen en ADHD blijken vaak samen te gaan, mogelijk
verklaarbaar vanuit een gemeenschappelijke
genetische risicofactor. Zo heeft naar schatting een kwart van de
kinderen met dyslexie ook ADHD. Van de kinderen met ADHD heeft ongeveer
de helft dyslexie. Pennington wijst op de
co-morbiditeit van ADHD en een fonologische stoornis. Voor wat betreft
dyscalculie kan, gelet op hetgeen we in het voorgaande zagen, daarin een
verklaring liggen voor co-morbiditeit met ADHD. Nader onderzoek is hier
echter nodig.
NLD
Bij de non-verbale leerstoornis gaat
het om een syndroom met zowel beschrijvende als verklarende
kenmerken. Over het algemeen genomen is bij kinderen met NLD de verbale
ontwikkeling sterker dan de ontwikkeling van non-verbale vaardigheden.
Ze vallen onder andere op door problemen met mechanisch rekenen en
wiskunde, terwijl ze relatief goed kunnen zijn in het decoderen van
woorden. De oorzaak wordt gezocht in een disfunctie in de witte
hersenmassa, die een belangrijke rol vervult bij de communicatie tussen
de verschillende hersengebieden en cruciaal is bij het aanleren van
nieuwe vaardigheden. Belangrijk is om op te merken dat NLD als syndroom
veel meer omvat dan alleen rekenproblemen. Dyscalculie is slechts
één van de kenmerken. Om die reden is het ook
niet mogelijk om te spreken van co-morbiditeit van dyscalculie met NLD.
Het zou dan immers gaan om het gelijktijdig optreden met een
verschijnsel waar het zelf deel van uitmaakt.
Literatuur:
American
Psychiatric Association (APA) (2000). Diagnostic and Statistical
Manual of mental disorders. DSM-IV-TR™
(4th ed.; Text Revision). Washington, DC: Author.
|